Opinie: Muskus­rat­ten­be­strijding


22 april 2008

Eind 2007 zijn er in opdracht van het LCCM (Landelijke Coordinatiecommissie Musksrattenbestrijding) 6 onderzoeksrapporten verschenen naar aanleiding van het verkennend onderzoek van Alterra uit 2004 "Muskusrattenbestrijding in Nederland: een quick scan naar nut, noodzaak en alternatieven". Hierdoor is de twijfel van nut en noodzaak toegenomen.

Uit deze onderzoeken is te concluderen dat:
1. onderzoek naar effectiviteit van bestrijding ontbreekt
2. er geen relatie is gevonden tussen het aantal vangsten en de grootte van de schade
3. het onbekend is hoe groot de schade zal zijn na stopzetting van het bestrijden
4. er geen relatie is gevonden van het aantal vangsten en de grootte van de faalkans van waterkeringen
5. ook nu op een aantal plaatsen schade is geconstateerd. Hieruit blijkt dat de huidige vorm van bestrijding niet kan voorkomen dat er schade optreedt.
6. schade uitsluitend leidt tot problemen bij hoog water in geval van dijken. Indien de schade voor het hoge water hersteld wordt is er dus geen veiligheidsrisico meer.
7.de economische schade niet onaanvaardbaar groot is (1,5 - 5 miljoen euro per jaar) en ook optreedt bij de huidige bestrijding
8. er een scala aan alternatieven voor de bestrijding beschikbaar is. Deze zijn duurzaam en bovendien zowel diervriendelijker als effectiever.

Het LCCM geeft als reactie (aan Bont voor Dieren, Dierenbescherming, Faunabescherming en Gedeputeerde Staten) dat het feit dat er nauwelijks overstromingen zijn geweest onomstotelijk bewijs is van de effectiviteit van bestrijding. Het moge duidelijk zijn dat het geringe aantal overstromingen aan meer factoren zal liggen dan het bestrijden van muskusratten en dit kan zeker niet als wetenschappelijk bewijs gezien worden.
Dat het stoppen met de bestrijding teveel risico's met zich meebrengt kan LCCM op geen enkele wijze aantonen aangezien er nooit onderzoek gedaan is naar de effectiviteit van bestrijding en wat de gevolgen zijn van het staken van bestrijding. Het LCCM gaat hierbij tevens uit van het staken van bestrijding in geheel Nederland, wat uiteraard proefgewijs in kleinere, minder risicovolle, gebieden onderzocht zou moeten worden. LCCM wil nog geen onderzoek naar de effecten van het staken van bestrijding maar zegt nu gestart te zijn met een voorstudie. Deze voorstudie naar populatie-ontwikkeling na staking van bestrijding verloopt door middel van een model en is echter zeer beperkt in omvang en opzet maar moet wel ruim drie jaar duren.
Het LCCM geeft in haar antwoord op bovenstaande conclusies aan dat zij de relatie tussen schade en aantal muskusratten interessant vindt maar deze niet heeft kunnen vinden. Hieruit blijkt dat nut en noodzaak tevens bij het LCCM onbekend is maar er wordt wel ruim 30 miljoen euro per jaar uitgegeven aan de bestrijding van muskusratten. De muskusrat heeft zich echter sinds het begin van het georganiseerd bestrijden in 1951 prima kunnen verspreiden door Nederland. De nut en noodzaak van het bestrijden is twijfelachtig en gaat tevens ten koste van veel dierenlevens waaronder niet alleen muskusratten (welke notabene door de mens geïntroduceerd zijn in Nederland), ook andere dieren zoals watervogels, zoogdieren en vissen sterven in de klemmen en verdrinkingskooien. Zo werden er bijvoorbeeld in 2002 in Noord-Holland 3000 muskusratten gevangen met 985 andere diersoorten als bijvangst.
In de rapporten staat dat er geen relatie te vinden is tussen het aantal vangsten en aantal graverijen. Daardoor kan er geen relatie gevonden worden tussen de grootte van de populaties en de veiligheid voor waterkeringen (een tijdelijke toename van de populatie na het stoppen van bestrijding wil ook niet zeggen dat er dan meer schade ontstaat). Dit betekent dat het onbekend is of de bestrijding überhaupt invloed heeft op de veiligheid van waterkeringen. In rapport 3 wordt expliciet vermeld dat er geen uitspraak wordt gedaan over de vraag of het voorkomen van schade door graverij zou moeten worden gerealiseerd door bestrijding of intensieve inspectie en herstel, eventueel in combinatie met preventieve maatregelen.
Het LCCM zegt geen effectieve, duurzame en diervriendelijker methoden te kennen om graverij van muskusratten te voorkomen. Een voorbeeld hiervan zijn de beschermende materialen waardoor graverij fysiek onmogelijk wordt gemaakt, in tegenstelling tot de bestrijding van het LCCM zorgt dit voor het geheel uitblijven van schade, is deze manier duurzaam en diervriendelijk. Het bestrijden van de dieren is een eindeloze opgave wanneer er alleen gedeeltes van populaties worden uitgeroeid, de vrouwelijke dieren werpen 3 tot 4 keer per jaar een nest van 5 tot 8 jongen welke een grotere overlevingskans hebben wanneer een deel van de populatie bestreden is (het merendeel van de vangsten bestaan ook nog uit mannetjes). Zodoende vult zo'n populatie zich in korte tijd weer aan.
Het is overigens verwonderlijk dat het LCCM geen voorstander is van alternatieven om de reden dat zij vindt dat de alternatieven verder onderzocht moeten worden terwijl er naar de huidige manier van bestrijden, en de effectiviteit van het bestrijden op zichzelf, tot nu toe geen onderzoek is geweest. Bij de quickscan (onderzoek Alterra 2005) werd het ontbreken van onderzoek naar effectiviteit ook al als belangrijk gemis gezien.
Bestrijding van muskusratten vindt LCCM mede noodzakelijk vanwege het dijkbeheer welke de dijken enkel planmatig onderhoudt. LCCM ziet hierbij de mogelijkheid over het hoofd om controles en eventueel onderhoud te intensiveren na het staken van het bestrijden. Het herstellen van schade van muskusratten, de gevolgschade en extra baggeren kost 1,5 - 5 miljoen euro landelijk per jaar en de economische schade van het bestrijden kost Nederland ruim 30 miljoen euro per jaar, zo'n 97 euro per muskusrat.
Het is maar de vraag in hoeverre muskusratten een gevaar zijn voor waterkeringen, volgens de rapporten van 2007 is er vooral schade aan oevers terwijl aan waterkeringen geen schade is geconstateerd. Het zou voor de dieren zelf ook niet aantrekkelijk zijn om holen te graven die constant instorten.

Er kan geconcludeerd worden dat het zaak is om per direct te stoppen met de bestrijding op plaatsen waar zich geen belangrijke waterkeringen bevinden, zoals in de meeste natuurgebieden. Er zal wetenschappelijk onderzoek verricht moeten worden naar de populatie-ontwikkeling en schade van muskusratten in gebieden waar de dieren niet bestreden worden. Daarnaast moeten preventieve alternatieven ingezet worden welke duurzaam, diervriendelijk en risicoloos zijn bij bestaande of nieuwe aanleg van waterkeringen.

De rapporten van de onderzoeken staan op de site van de LCCM.

Op de gezamelijke site van Faunabescherming en Bont voor Dieren, www.muskusrat.info, staat een samenvatting van de onderzoeken.

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Nieuws